Signaalwoorden

Maak het je lezer makkelijk met signaalwoorden

Altijd fantastisch wanneer je een reactie krijgt op je content. In Vlinderss in je Mailbox beschreef ik hoe je hardnekkige schrijfgewoonten afleert met behulp van de functie autocorrectie in Word. Autocorrectie signaleert de ongewenste woorden en dat noemde ik vervolgens signaalwoorden. Nederlands lekkerste copywriter en schrijfcoach Lotty Rothuizen reageerde alert: “Ik denk dat je iets anders bedoelt dan signaalwoorden.”

Inderdaad. In de Nederlandse taal zijn signaalwoorden iets héél anders. Wat signaalwoorden zijn en waarom het kostbare pareltjes zijn voor je lezers, dat lees je in dit blog.

Wat zijn signaalwoorden?

Signaalwoorden geven een verband aan tussen zinsdelen, zinnen of alinea’s. Zie de woorden als een taart. Signaalwoorden zijn te vergelijken met de botercrème die de lagen cake aan elkaar plakt, waardoor het geheel een smakelijke taart wordt. Ze zorgen voor een samenhang waardoor je de tekst makkelijker kunt begrijpen. Door de signaalwoorden te herkennen, herken je tekstverbanden en begrijp je de tekst dus beter. Signaalwoorden nemen je lezer als het ware bij de hand.

Synoniemen voor signaalwoorden zijn: indicatoren, verbindingswoorden of overgangswoorden.

De 11 meest gebruikte tekstverbanden en hun signaalwoorden

Hieronder lees je de 11 meest gebruikte tekstverbanden en enkele daarbij horende signaalwoorden.

1. Chronologisch verband | tijd

Geeft een opsomming van gebeurtenissen in tijd.
Vaak gebruikte woorden: voordat, nadat, eerst, vervolgens, daarna, wanneer, vroeger, later.

2. Opsommend verband

Na een uitspraak of bewering volgt een opsomming van argumenten of zaken.
Vaak gebruikte woorden: en, ook, ten eerste, ten tweede, ten slotte, vervolgens, verder, niet alleen … maar ook, daarnaast.

3. Tegenstellend verband

Je schrijft iets en beweert daarna het tegenovergestelde.
Vaak gebruikte woorden: maar, echter, hoewel, toch, daarentegen, staat tegenover, tenzij.

4. Vergelijkend verband

Vergelijking van twee of meerdere dingen of personen.
Vaak gebruikte woorden: zoals, zo, evenals, in vergelijking met, soortgelijk(e).

5. Toelichtend verband

Na een uitspraak volgt een uitleg of toelichting. Vaak met een voorbeeld ter illustratie.
Vaak gebruikte woorden: zo, zoals, een voorbeeld (hier)van ter illustratie, bijvoorbeeld.

6. Redengevend verband

Na een uitspraak noem je een reden. De reden geeft aan waarom iemand iets wel of niet doet.
Vaak gebruikte woorden: want, omdat, daarom, vanwege, immers, namelijk.

7. Voorwaardelijk verband

Er moet eerst iets gebeuren voor het ander plaatsvindt. Het eerste is de voorwaarde.
Vaak gebruikte woorden: wanneer, mits, tenzij, in het geval dat, als.

8. Doel-middel verband

Beschrijf het doel en noem daarna het middel waarmee je dat doel bereikt.
Vaak gebruikte woorden: daarmee, waarmee, opdat, door middel van, om te .

9. Oorzakelijk verband

Beschrijf de oorzaak en benoem daarna het gevolg.
Vaak gebruikte woorden: door, doordat, waardoor, te danken aan, zodoende.

10. Samenvattend verband

De tekst bespreekt het onderwerp uitvoerig en de essentie kort samengevat.
Vaak gebruikte woorden: kortom, met andere woorden, vandaar dat, hieruit volgt, samengevat.

11. Concluderend verband

In een tekst staan enkele uitspraken waarna je een conclusie trekt. Een conclusie is een gevolgtrekking uit iets wat eerder is gezegd.
Vaak gebruikte woorden: dus, daarom, concluderend, kortom, al met al.

Waar gaat het regelmatig mis?

Het tekstverband bepaalt welk signaalwoord je gebruikt. En dat gaat vaak mis want het verschil tussen oorzaak, reden, aanleiding, middel en doel is niet bij iedereen helder. Daarom nog even een kort overzicht van de verschillen met wat smakelijke voorbeelden.

  • Een oorzaak heeft een gevolg, daar heb je geen invloed op. Dit geldt alleen voor dingen, niet voor mensen. Wanneer je bijvoorbeeld een pot nutella laat vallen (oorzaak), is de kans groot dat de pot kapot is (gevolg). Dit wordt ook wel causaal verband genoemd. Voorbeeld: Doordat de pot nutella viel, had ik hagelslag op mijn brood.
  • Een reden gebruik je alleen bij mensen, wanneer ze iets te kiezen hebben. Een reden heeft ook een verklaring. Voorbeeld: Omdat hij zijn brood niet heeft opgegeten, mag hij nu geen taart.
  • Een aanleiding is een gebeurtenis, dat wat iets in beweging zet. Voorbeeld: Die reclame heeft ervoor gezorgd dat ik naar de MacDonalds ben gereden.
  • Als je iets wilt bereiken (doel) en je gebruikt iets om dat doel te bereiken (middel) dan spreek je van doel-middel. Voorbeeld: Door middel van koken, probeerde hij haar liefde te winnen. En dat lukt hem iedere dag 🙂

Yoast helpt: de leesbaarheidscheck

In een eerder blog gaf ik 5 waardevolle tips bij het schrijven van webteksten. Eén van die tips is het gebruik van Yoast bij een WordPress website. Deze plugin checkt ook de leesbaarheid van de tekst. In de analyse wordt onder andere gekeken of je in je tekst minimaal voor 30% gebruik maakt van overgangswoorden en/of -zinnen. Is dat lager? Pak je lijstje erbij en help je lezer door de tekst heen.

Conclusie

Je schrijft met het doel mensen jouw teksten te laten lezen. Help jouw lezer door je teksten leesbaar te schrijven. Signaalwoorden vormen een onderdeel van het ‘lekker-leesbaar-gereedschap’ van een schrijver. Gebruik de plugin Yoast om de kwaliteit van je tekst te controleren. Trouwens ook overgangszinnen horen bij dat schrijversgereedschap. Net als actief schrijven, wauw: daar zijn weer twee mooie onderwerpen voor het volgende taalblog.

Wil jij meer schrijf- en taaltips ontvangen?

Like dan nu de FB-pagina Vlinderss werkt voor jou. Iedere dinsdag is het taaldag.

 

Foto credits: Annie Spratt via Unsplash, bewerkt in Picmonkey en Canva.

Geraadpleegde bronnen: